13-04-08

ONBEGRIJPELIJK HEELAL

Al eeuwenlang breken astronomen en filosofen zich het hoofd over het heelal. Pas de laatste decennia is de kosmologie in een stroomversnelling geraakt, en is er sprake van een echte wetenschap. Maar het universum is er bepaald niet begrijpelijker op geworden. Het was lange tijd een running gag in de internationale sterrenkunde. Waarom zijn de Russen zo goed in kosmologie? Omdat je er alleen maar een lege envelop en een potlood voor nodig hebt. De flauwe grap gaf precies aan hoe enkele tientallen jaren geleden tegen kosmologie werd aangekeken: interessant, maar toch niet veel meer dan intellectuele spielerei die met echte wetenschap weinig van doen leek te hebben. Daar is de laatste tijd echter verandering in gekomen. Kosmologie is nu een bloeiend deelgebied van de moderne sterrenkunde, waarin je niet meer zonder grote telescopen, extreem krachtige computers en dure satellietexperimenten kunt. De tijd van speculatief gefröbel is definitief voorbij. Toch lijkt het erop dat kosmologie – de wetenschap die zich bezighoudt met ontstaan, evolutie en structuur van het heelal als geheel ¬– altijd raakvlakken blijft vertonen met metafysica. De vragen naar de oorsprong van het universum lagen eeuwen geleden eerder op het terrein van de religie dan van de wetenschapsbeoefening, maar zelfs nu Genesis verdrongen is door de oerknal, komen we via de kosmologie in aanraking met termen en begrippen die ons voorstellings- en waarnemingsvermogen te boven gaan, zoals oneindigheid, opgerolde dimensies en parallelle universa. Echt begrijpelijker is het heelal er niet op geworden. Terwijl het er op het eerste gezicht allemaal zo eenvoudig uitziet. Wie zonder voorkennis op een heldere nacht naar buiten gaat, ziet een grote, platte aarde met daarboven een koepelvormig firmament waarlangs hemellichten bewegen. Zon, maan en planeten elk volgens hun eigen ritme en regelmaat, kennelijk in ingewikkelde omloopbanen rond de aarde; de sterren in vaste patronen als gaatjes in de hemelkoepel waardoorheen een goddelijk licht schijnt. Botsende sterrenstelsels, zwaartekrachtlenzen, donkere materie en een uitdijende kosmos – het zijn stuk voor stuk begrippen die een eeuw geleden nog volstrekt betekenisloos waren. Ondergeschikte plaats Het besef dat de aarde een zeer ondergeschikte plaats in het heelal inneemt, begon pas in de loop van de zestiende eeuw door te dringen, toen de Poolse astronoom Nicolaus Copernicus (1473–1543) zijn theorie publiceerde dat niet de aarde, maar de zon het middelpunt van het heelal vormt. De aarde werd daardoor ‘gedegradeerd’ tot een van de planeten die een baan rond de zon beschrijven. Copernicus moest vervolgens aannemen dat de ‘sfeer van de vaste sterren’ zich op zeer grote afstand bevindt, anders zouden we de posities van de sterren in de loop van het jaar een beetje zien veranderen als gevolg van de beweging van de aarde. Thomas Digges (1546–1595) suggereerde vervolgens dat de sterren misschien wel in een oneindig uitgestrekte ruimte zijn verspreid, en dus op heel verschillende afstanden staan, en Giordano Bruno (1548–1600) kwam met de intrigerende theorie dat sterren in werkelijkheid verre zonnen zijn, en dat de zon dus gewoon een van de talloze sterren in het heelal is. Al die andere zonnen, aldus Bruno, zouden vergezeld kunnen worden door planeten zoals de aarde. Dat idee van een ‘veelheid van werelden’ kwam hem duur te staan (mede vanwege zijn politieke activiteiten belandde hij in 1600 in Rome op de brandstapel). Pas sinds 1995 weten we dat er inderdaad ook bij andere sterren planetenstelsel voorkomen. Een oneindig uitgestrekt heelal, gevuld met zonnen op kolossale onderlinge afstanden – in de zeventiende eeuw leek iedereen daar vrede mee te hebben, zeker toen kort de uitvinding van de telescoop duidelijk werd dat er inderdaad talloze sterren aan de hemel staan die gewoon te zwak zijn om met het blote oog te zien. Volgens Isaac Newton (1642–1727) móest het heelal zelfs wel oneindig uitgestrekt zijn, en gelijkmatig gevuld met sterren: volgens zijn zwaartekrachttheorie zou een heelal met een eindige afmeting onder zijn eigen massa ineenstorten. Newton introduceerde ook het idee van een absolute ruimte en een absolute tijd – een soort universeel decor met een onverstoorbaar tikkende klok, waartegen zich de bewegingen van de hemellichamen afspelen. Newtons ideeën over ruimte en tijd zouden nog lange tijd standhouden, maar zijn denkbeelden over de ruimtelijke verdeling van de sterren werden eind achttiende eeuw het slachtoffer van nauwgezette waarnemingen. William Herschel (1738–1822) voerde tellingen uit van het aantal sterren dat in verschillende richtingen aan de hemel zichtbaar is. Zijn conclusie: de zon moet zich in een afgeplatte sterrenverzameling bevinden, anders zouden we in elke denkbare richting hetzelfde aantal heldere en zwakke sterren zien. De wazige Melkwegband die op een heldere avond aan de hemel zichtbaar is, vormt in feite het ‘binnenaanzicht’ van die sterrenverdeling. In Nederland ging Jacobus Kapteyn (1851–1922) nog een stap verder. Ook Kapteyn baseerde zich op stertellingen, dit maal uitgevoerd door sterrenwachten over de hele wereld. Hij concludeerde dat het Melkwegstelsel lensvormig was: afgeplat en rond, met het dikste deel in het midden. In dat centrum is de sterdichtheid het grootst; naar buiten toe neemt het aantal sterren langzaam maar zeker af. De middellijn van dit ‘Kapteynstelsel’ bedraagt ongeveer veertigduizend lichtjaar; de zon bevindt zich op minder dan tweeduizend lichtjaar afstand van het centrum. Buiten het Kapteynstelsel zou zich een eindeloze lege ruimte bevinden; Kapteyn sprak niet voor niets over een ‘eilandheelal’. Eilandheelallen Toch waren er begin twintigste eeuw al veel astronomen die meenden dat het Melkwegstelsel niet uniek is. Aan de sterrenhemel waren veel spiraalnevels ontdekt, en hoewel veel sterrenkundigen er vanuit gingen dat dit relatief nabijgelegen draaikolken van gas en stof waren waaruit in de toekomst een nieuwe ster zou ontstaan, meenden anderen dat het in werkelijkheid om complete melkwegstelsels ging op enorm grote afstand. In april 1920 werd over deze kwestie in Washington een groot publiek debat georganiseerd tussen Harlow Shapley (1885–1972), die aannam dat de spiraalnevels deel uitmaken van het Melkwegstelsel, en Heber Curtis (1872–1942), die van mening was dat er talloze ‘eilandheelallen’ bestaan. De oplossing kwam drie jaar later. Edwin Hubble (1889–1953) had met de 2,5-meter telescoop op Mount Wilson gedetailleerde foto’s van de Andromedanevel gemaakt, een van de grootste spiraalnevels aan de hemel. Op die foto’s ontdekte hij een zogeheten cepheïde – een veranderlijke ster waarvan de werkelijke lichtkracht berekend kon worden op basis van de gemeten lichtwisselingsperiode. Door die lichtkracht te vergelijken met de schijnbare helderheid van de ster, kon Hubble uitrekenen op welke afstand de Andromedanevel zich bevindt. Dat bleek ver buiten het Melkwegstelsel te zijn, ook al waren de schattingen voor de afmetingen van het Melkwegstelsel dankzij het werk van Shapley al enorm naar boven toe bijgesteld. Met de ontdekking van de ware aard van de spiraalnevels was in één klap duidelijk dat we in een onvoorstelbaar groot heelal leven. Via verschillende methoden slaagden sterrenkundigen erin om van een groot aantal sterrenstelsels de afstanden te bepalen, en ook al waren die afstandsbepalingen allesbehalve nauwkeurig, toch kon er geen twijfel meer over bestaan dat ons Melkwegstelsel slechts een van de talloze sterrenstelsels in een mogelijk oneindig groot heelal is. Nooit eerder was de mens zich zo sterk bewust geweest van de ondergeschikte plaats van de aarde: een klein planeetje in een baan rond een gemiddeld sterretje in een van de miljarden sterrenstelsels in een grenzenloze kosmos. Dankzij hun rotatie bieden de sterrenstelsels weerstand aan de zwaartekracht: de middelpuntvliedende kracht voorkomt dat de sterren in een sterrenstelsel allemaal op elkaar vallen. Maar hoe zit het met de sterrenstelsels onderling? Waarom vallen die niet naar elkaar toe? Albert Einstein (1879–1955), die met zijn speciale en algemene relativiteitstheorie een streep had gehaald door de absolute ruimte en de absolute tijd van Newton, realiseerde zich dat Newtons oplossing van een oneindig uitgestrekt heelal niet werkt. In plaats daarvan introduceerde Einstein (die nog wel overtuigd was van een statisch, eeuwigdurend heelal) zijn ‘kosmologische constante’ – een afstotende kracht in de lege ruimte die als een soort anti-zwaartekracht de stabiliteit van de kosmos moest garanderen. De oerknaltheorie In 1929 bleek dat die kosmologische constante nergens voor nodig was. Op basis van snelheidsmetingen van Milton Humason (1891–1972) concludeerde Hubble in 1929 dat het heelal uitdijt: in de loop van de tijd neemt de onderlinge afstand tussen ver verwijderde sterrenstelsels toe. Die uitdijing van de lege ruimte drijft de sterrenstelsels uiteen, en werkt in die zin de zwaartekracht tegen. Hubble realiseerde zich dat het ‘wegvluchten’ van de sterrenstelsels niet het gevolg is van hun bewegingen door de ruimte, maar van de uitdijing van die ruimte – een eigenschap die bij nader inzien ‘voorspeld’ werd door de relativiteitstheorie. De ontdekking van de uitdijing van het heelal is een van de mijlpalen in de geschiedenis van de kosmologie: voor het eerst werd duidelijk dat het heelal als geheel evolueert. Pas in de loop van de jaren dertig leidde de ontdekking van de uitdijing van het heelal tot de theorie van de hete oerknal, voornamelijk dankzij het werk van de Belg Georges Lemaître (1894–1966) en de tot Amerikaan genaturaliseerde Rus George Gamow (1904–1968). Als de materiedichtheid in het heelal nu steeds kleiner wordt, moet die lang geleden enorm hoog zijn geweest. Het huidige heelal zou explosief voortgekomen moeten zijn uit een zeer hete, compacte begintoestand – de oerknal. Met andere woorden: het heelal heeft ooit een begin gekend. Tijdens de eerste paar minuten van de levensloop van de kosmos zou de chemische samenstelling van het heelal (grofweg 75 procent waterstof en 25 procent helium) zijn vastgelegd door kernfusiereacties in die hete ontstaansperiode. Halverwege de twintigste eeuw kwamen andere astronomen, waaronder de Brit Fred Hoyle (1915–2001) met een alternatief voor de oerknal: de theorie van de ‘continue creatie’. Volgens dat spitsvondige idee dijt het heelal wel uit, maar blijft de dichtheid toch altijd gelijk, doordat er voortdurend nieuwe materie ontstaat. Zo’n steady state-heelal ziet er in grote lijnen altijd hetzelfde uit, en kent geen begin. Maar in de loop van de jaren zestig moest de theorie van Hoyle en zijn collega’s zwichten voor nieuwe waarnemingen die een sterke ondersteuning vormden voor de oerknaltheorie. Zo werd ontdekt dat bepaalde actieve sterrenstelsels lang geleden vaker voorkwamen dan tegenwoordig, en dat het heelal dus wel degelijk evolueert. Bovendien werd in 1965 de kosmische achtergrondstraling ontdekt – het afgekoelde en bijna uitgedoofde overblijfsel van de energie die tijdens de oerknal vrijkwam. Pas na de ontdekking van de kosmische achtergrondstraling begonnen sterrenkundigen de oerknaltheorie echt serieus te nemen; vóór die tijd werd het idee toch meer gezien als een boeiend gedachtenexperiment. En naarmate er serieuzer naar gekeken werd, kwamen er ook enkele problemen met de theorie om de hoek kijken. Zo kon de homogeniteit van het heelal niet goed worden verklaard, evenmin als het gegeven dat de ruimte op grote schaal niet of nauwelijks gekromd is. Beide problemen werden effectief uit de weg geruimt door de inflatiehyopthese, in 1979 opgesteld door deeltjesfysicus Alan Guth (1947–). Volgens deze hypothese (die tegenwoordig onlosmakelijk deel uitmaakt van de oerknaltheorie) vertoonde het heelal in de eerste minieme fractie van een seconde een exponentiële uitdijing, die gepaard ging met het ‘afsplitsen’ van de vier fundamentele natuurkrachten van één allesoverkoepelde geünificeerde oerkracht. Nieuwe raadsels Hoewel begrippen als exponentiële uitdijing en gekromde ruimte een groot beroep doen op het menselijk voorstellingsvermogen, zag het er begin jaren tachtig toch naar uit dat kosmologen een bevredigende beschrijving hadden gevonden voor ontstaan en evolutie van het universum. Maar de afgelopen twintig jaar is het beeld van het heelal steeds complexer en raadselachtiger geworden, dankzij waarnemingen die in strijd leken te zijn met de klassieke oerknaltheorie. Zo werd de leeftijd van het heelal aanvankelijk bepaald op tien à twintig miljard jaar, maar desondanks was de waargenomen groteschaalstructuur van het heelal, met uitgestrekte clusters en superclusters van sterrenstelsels, moeilijk te verklaren: zelfs in twintig miljard jaar zou de zwaartekracht van de waargenomen materie in het uitdijende heelal onvoldoende zijn geweest om zo’n sterke clustering te veroorzaken. Dat er behalve zichtbare materie ook veel donkere materie in het heelal voorkomt, bleek inmiddels ook uit metingen aan de rotatie van sterrenstelsels en aan de bewegingen van sterrenstelsels in clusters. Die donkere materie zou een belangrijke rol gespeeld kunnen hebben bij de vorming van de groteschaalstructuur van het heelal, maar de ware aard ervan is onbekend. Het overgrote deel van de donkere materie kan niet uit gewone atomen bestaan, omdat de scheikundige samenstelling van het heelal dan anders zou zijn. Er moet dus sprake zijn van tot nu toe onbekende elementaire deeltjes, die wel gevoelig zijn voor de zwaartekracht, maar verder op geen enkele wijze met elkaar in wisselwerking treden. Volgens de meest recente schattingen is de totale hoeveelheid donkere materie in het heelal vijfentwintig à dertig keer zo groot als de hoeveelheid zichtbare materie, en bestaat hooguit tien à vijftien procent van die donkere materie uit bekende deeltjes. En sinds tien jaar is bekend dat er niet alleen mysterieuze donkere materie in de kosmos voorkomt, maar ook raadselachtige donkere energie. Dat bleek uit een onderzoek naar de uitdijingsgeschiedenis van het heelal. Door van veel sterrenstelsels nauwkeurig de afstanden te meten (met behulp van een bepaald type supernova’s), en vervolgens te bepalen hoe lang het licht van die stelsels op weg is geweest naar de aarde (af te leiden uit de gemeten roodverschuiving, die groter is naarmate de lichtgolven sterker uitgerekt zijn door de kosmische uitdijing), kun je achterhalen of het heelal vroeger sneller uitdijde dan nu, of juist langzamer. De verwachting was altijd dat de uitdijingssnelheid wordt afgeremd door de zwaartekracht, maar uit de supernovametingen bleek dat er juist sprake is van een versnelling. De onverwachte ontdekking van de versnellende uitdijing van het heelal – inmiddels door tal van onafhankelijke metingen bevestigd – heeft geleid tot nieuwe kosmologische modellen waarin de lege ruimte een vacuümenergie bevat die als een soort anti-zwaartekracht werkt, en op die manier de uitdijing versnelt. In veel opzichten is dit effect vergelijkbaar met wat er in het inflatietijdperk plaatsvond, heel kort na de geboorte van het heelal, en er zijn mogelijk ook parallellen met Einsteins kosmologische constante. Maar eerlijk gezegd weet niemand wat deze donkere energie precies is, ook al gaat het om niet minder dan zeventig procenct van de totale energie-inhoud van het heelal. Het Multiversum De laatste jaren hebben astronomen moeten wennen aan het idee dat we in een bizar, onbegrepen (en misschien wel onbegrijpelijk) heelal leven, waarin de atomen en moleculen die we uit onze dagelijkse omgeving kennen slechts een klein topje vormen van een reusachtige ijsberg die voor bijna driekwart uit donkere energie en voor bijna één kwart uit donkere materie bestaat. Het ironische is dat kosmologen de waargenomen groteschaalstructuur (en tal van andere eigenschappen) van het heelal goed kunnen verklaren door uit te gaan van deze twee mysterieuze ingrediënten, maar dat ze geen flauw idee hebben van de ware aard ervan. Een bijkomend probleem is dat niemand begrijpt waarom het heelal precies de waargenomen eigenschappen heeft. Er bestaat geen allesomvattende theorie die de sterkte van de vier natuurkrachten voorschrijft, of de massa’s van de elementaire deeltjes, of de waarden van de natuurconstanten. Misschien vormen de waargenomen eigenschappen van de natuur dus wel de toevallige uitkomst van een willekeurig proces. Maar het rare is wel dat een kleine verandering in elk van die eigenschappen verhinderd zou hebben dat er een heelal met sterrenstelsels, sterren, planeten en leven ontstaat. De kosmos lijkt voorbestemd te zijn voor het genereren van complexiteit; op maat gesneden voor het leven. De oplossing die natuurkundigen hebben aangedragen voor deze ogenschijnlijk wonderlijke constatering is dat ons heelal niet het enige is. Het zou deel kunnen uitmaken van een eindeloos ensemble van parallelle heelallen, die samen een oneindig Multiversum vormen. In al die verschillende heelallen komen alle denkbare combinaties van natuurconstanten en deeltjeseigenschappen wel ergens voor, inclusief de bijzondere combinatie die de ontwikkeling van een levende kosmos mogelijk maakt. Vervolgens is het natuurlijk niet meer zo verwonderlijk dat wij ons precies in dát heelal blijken te bevinden. Het Multiversum-idee riekt volgens sommige astronomen naar metafysica. Het valt vooralsnog door metingen en waarnemingen niet te bevestigen of te ontkrachten, en in feite wordt er (aldus de critici) een magische oplossing uit een hoge hoed getoverd om ons huidige gebrek aan inzicht en kennis te sussen. Aan de andere kant lijkt het Multiversum wel degelijk bestaansrecht te hebben: ook de snaartheorie (binnen de theoretische fysica de beste kanshebber voor de titel ‘theorie van alles’) lijkt het bestaan van een vrijwel oneindig groot aantal parallelle heelallen te vereisen. De kosmologie heeft een roerige geschiedenis achter de rug. Copernicus leerde ons dat de aarde slechts een van de planeten is; Bruno bracht het inzicht dat de zon niet meer is dan een onopvallende ster tussen miljarden soortgenoten, en Hubble ontdekte dat er talloze sterrenstelsels zijn vergelijkbaar met ons eigen Melkwegstelsel. Misschien was het wel onvermijdelijk dat kosmologen ooit tot de conclusie zouden komen dat ook het heelal als geheel niet uniek is, maar deel uitmaakt van een eindeloos Multiversum, ook al zijn we wellicht nooit in staat om daar absolute zekerheid over te verkrijgen. En hoe zit het met de toekomst van ons eigen heelal? Als de nieuwe inzichten over donkere materie en donkere energie kloppen, ziet het er somber uit, en zal de uitdijing van het heelal steeds verder versnellen, totdat uiteindelijk alle sterrenstelsels en alle informatie uit het verre verleden voorgoed achter onze waarnemingshorizon verdwijnt. Als het ooit zo ver komt, is het ook afgelopen met de kosmologie, want zonder waarnemingen aan ver verwijderde hemellichamen en aan de kosmische achtergrondstraling is het onmogelijk om meer te weten te komen over ontstaan, levensloop en structuur van het heelal. Maar in de wetenschap is niets zeker. Kosmologen worstelen nog steeds met enkele netelige kwesties, en toekomstige telescopen en satellieten brengen ongetwijfeld nieuwe problemen aan het licht. Of het huidige kosmologische ‘standaardmodel’ met zijn bizarre ingrediënten daar tegen bestand is, moet nog maar blijken. Tachtig jaar na de ontdekking van de kosmische uitdijing, die de basis vormde voor de oerknaltheorie, is het misschien tijd voor een nieuwe revolutie. Want één ding staat vast: over het universum is het laatste woord nog niet gesproken. © Govert Schilling URL van deze pagina:http://allesoversterrenkunde.nl/cgi-bin/scripts/db.cgi?ID=788&view_records=1COPYRIGHT WWW.EOS.BE EN WWW.ALLESOVERSTERRENKUNDE.NLblog

Commentaren

hoi alles goed; doet er eigenlijk niet toe. heel interesant onderwerp

Gepost door: lina | 16-04-08

Beste,

Enige nederigheid lijkt geboden. Want, per slot van rekening, wat vermag de mens in vergelijking tot de enorme natuurkrachten? Zo goed als niets. En, dit is het dillema van de wetenschap.

Zo zou de snaartheorie al lang bewezen kunnen zijn, indien we over voldoende energie zouden beschikken om zijn voorspelde hoogenergetische deeltjes te onderzoeken. Maar de mens is nog niet eens in staat om de energie van een luttele ster op te wekken en wat is een ster in vergelijking met de energiewaarde van een super-nova (10.000 miljard sterren)? Zodoende blijven we steken bij de (zeer) laagenergetische deeltjes waar we het maar mee moeten doen. Over een handicap gesproken...

Hawking zegt dat er nog twee andere methoden zijn om snaren te ontdekken. Maar om dat te bereiken, zouden we microscopen moeten hebben die nog 1.000.000.000 maal (opgepast, dit is een expontiele schaal en geen numerieke schaal) sterker moeten zijn dan de microscopen die we nu hebben. Zal de mens ooit over dergelijke microscopen beschikken? In ieder geval zal dit niet meer binnen jouw of mijn leven zijn.

De andere manier die volgens Hawking ook direct resultaat zou geven, is een deeltjesversneller. Maar deze deeltjesversneller zou dan wel zo groot moeten zijn als heel ons zonnestelsel. Opnieuw: zal de mens ooit over dergelijke deeltjesversnellers kunnen beschikken? Wel, misschien. Maar in ieder geval zal het niet zijn gedurende jouw of mijn leven.

Vele wetenschappers zijn ervan overtuigd dat de andere dimensies (op de drie ons bekende dimensies), verbonden aan de snaartheorie, opgekruld zijn tot de Planck-lengte (10 centimeter tot de -33 macht, oftewel 24 ordes kleiner dan een atoom). Opnieuw: een totaal onmogelijke lengte voor de mens om te onderzoeken. Lisa Randall is er zelfs van overtuigd dat de mens die nooit kan detecteren. Dus, wil dit zeggen dat de snaartheorie fout zou zijn simpelweg omdat de wetenschappers er niet in slagen de andere dimensies te ontdekken binnen jouw of mijn leven? Volgens mij niet.

Weet je, de mens heeft al eerder op het punt gestaan van 'de theorie van alles' te formuleren. Op het einde van de 19de eeuw had men enkel 'lichtether' nodig om een coherent wereldbeeld te creeren. Maar, wanneer men die 'lichtether' zocht, vond men hem niet. Toen kwam Einstein en de quantummechanica en ons wereldbeeld veranderde voorgoed.

Wat je 'revolutie' betreft, denk ik dat die bezig is met de ontwikkeling van de snaartheorie. Uiteindelijk brengt die twee totaal onverzoenlijke stromingen binnen de fysica onder een dak: de relativeitstheorie en de quantummechanica. Of deze poging de 'theorie van alles' (de zgn M-theorie) betwijfel ik, want ik bespeur nog vele tegenstelling in de kosmologie (zoals de discrepantie tussen het ontstaan van zonnestelsels en de constatie dat gasreuzen wel degelijk dicht bij de ster kunnen staan en haar uiteindelijk doet 'wobbelen' (dit is bij mijn weten de eerste manier die de wetenschap ontwikkelde om te bewijzen dat bij andere sterren ook planeten staan)). Waarschijnlijk zullen er nog vele revoluties en nog verschillende wereldbeelden nodig zijn, eer de mens over een definitief wereldbeeld zal beschikken. Maar, de kosmologie is een erg jonge wetenschap (ongeveer 500 jaar oud) en de mens is (momenteel) nog erg beperkt in zijn mogelijke onderzoeksmethoden.

In ieder geval, mijn felicitaties met je site,

DG

Gepost door: Dirk Gonthier | 22-11-08

De commentaren zijn gesloten.